Website voor de  'Sectie Ter Haar'

Van de Nederlandse Entomologische Vereniging


Insecten

  • Wat zijn insecten?
  • Insectengroepen
  • Evolutie 


Lepidoptera

  • De schubvleugeligen
  • Micro vs macro lepidoptera
  • Dag en nachtvlinders
  • Evolutie
  • Nieuwste taxonomische inzichten


Onderwerp

Beren op de Veluwe

Auteur

Jeroen Voogd

Datum

11-10-2014

Mededeling

Grasbeertjes

 

Presentatie over de beren van de Veluwe op 11 oktober 2014 op de bijeenkomst van sectie Ter Haar.  Zijn presentatie start met het tonen van foto’s vlinders en rupsen van Coscinia cribraria (grasbeertje) en laat zien dat  de vrouwtjes op de Veluwe overwegend wit kunnen zijn. Bij de mannetjes op de Veluwe zijn de donkere vlekken op de voorvleugels doorgaans samengesmolten tot lijnen. Veel bronnen melden dat naast grassen ook diverse kruidachtigen als waardplant worden gebruikt.  Op de Veluwe worden uitsluitend grassen als waardplant benut,  voornamelijk Corynephorus canescens  (buntgras) en Festuca ovina spp (schapengrassoorten).  De rupsen kunnen wel rustend en zonnend op andere planten worden aangetroffen, die vervolgens foutief als waardplant worden benoemd. Het grasbeertje is niet bij uitstek een Veluwe-soort, dat geldt wel voor Coscinia striata (geel grasbeertje), een soort die aansluitend de revue passeert.  Jeroen geeft aan dat hij deze soort de laatste jaren op steeds meer locaties op de Zuidelijke Veluwe aantreft. Het geel grasbeertje benut dezelfde waardplanten als het grasbeertje en ook voor deze soort geldt dat er veel bronnen zijn die naast grassen ten onrechte ook kruidachtige planten en zelf bomen en struiken als waardplant noemen.  De strepen op de vleugels kunnen bij vrouwtjes van het geel grasbeertje (volledig) ontbreken. Er worden twee foto’s getoond die de variatie in vleugeltekening bij de vrouwtjes illustreren. De grondkleur van de voorvleugels kan variëren van geel tot witachtig. Het is opmerkelijk dat bij beide grasbeertjes vooral de vrouwtjes variatie in vleugelkleur en -tekening tonen.

 

Echte typische Veluwse beer

 

Maar er is één beervlinder, die echt als Veluwe-soort aangemerkt kan worden: Rhyparia purpurata (purperbeer). En met deze soort is iets aan de hand. In de jaren 80 van de vorige eeuw vond ik de soort op de Zuidelijke Veluwe in april en mei op veel plekken als rups. De laatste jaren is er nog slechts één plek op de Zuidelijke Veluwe waar ik de purperbeer nog steeds in aantal aantref.  De soort lijkt dus hard achteruit gegaan te zijn, maar gelukkig is het niet zo erg als de voorlopige rode lijst van nachtvlinders aangeeft. Op deze lijst heeft de soort immers de status ‘verdwenen in de 21ste eeuw’ gekregen.  Wellicht is dit een vooruitziende blik, de 21ste  eeuw is tenslotte nog maar net begonnen….

 

Purperberen in de literatuur en op het internet

 

In de literatuur en ook op het Internet wordt de purperbeer als extreem polyfaag op allerlei kruidachtige en ook houtige planten en strikt univoltien beschouwd. Er lijkt geen specifieke voorkeur voor een bepaald biotoop te zijn; zowel natte als droge biotopen worden benut. Vooral  de mannetjes komen laat in de avond goed op licht. Wel wordt aangegeven dat de soort vaak lokaal voorkomt en er bij kweken een partiële tweede generatie mogelijk is.

 

 Persoonlijke ervaringen Jeroen

 

Inmiddels heb ik veel ervaring met de purperbeer, vooral de rupsen heb ik vaak gevonden. En altijd na de overwintering in de periode april tot circa half mei. Opmerkelijk hierbij is dat de rupsen steeds op Calluna vulgaris (struikhei) zitten en bij het opkweken uitsluitend oudere twijgen kunnen verdragen als voedsel. Wanneer ze jonge uitlopers of kruidachtige planten als voedsel aangeboden wordt, krijgen  de rupsen vaak diarree en gaan dood.  Vlinders worden op licht gezien, vooral mannetjes komen vanaf circa 02:15 uur goed op licht, de piek van de vliegtijd ligt rond 21 juni. 

 

Op de Zuidelijke Veluwe worden vooral grotere structuurrijke heideterreinen benut met veel variatie, wel zijn er steeds naast jonge ook erg oude heidestruiken aanwezig.  Het Nederlandse biotoop is goed herkenbaar en behoorlijk specifiek. Veel van de in het voorjaar gevonden rupsen blijken geparasiteerd te zijn door de sluipwesp Aleiodes alternator. Een sluipwesp die in heideterreinen gewoonlijk Lasiocampa quercus (hageheld) benut als gastheer om in te kunnen overwinteren. De geparasiteerde rupsen zijn veelal makkelijk te vinden en goed herkenbaar wanneer zij als een mummie met de kop naar beneden aan de twijgen vast zitten gekleefd. De Nederlandse purperbeer is duidelijk contrastrijker vergeleken met purperberen uit bijvoorbeeld Zuid Europa en behoort tot de ondersoort Rhyparia purpurata obscura. Soms worden er vrouwtjes gezien met geheel zwarte achtervleugels.

 

Vragen

 

Feiten zoals het benutten van een specifieke waardplant en biotoop, terwijl de soort in Zuid Europa juist niet gebonden is aan een specifiek biotoop en extreem polyfaag is vormen belangrijke aanwijzingen dat er ‘iets’ met de ‘Nederlandse’ purperbeer de hand is. Ook het feit dat bij kweken een partiële tweede generatie mogelijk is terwijl dat binnen het gehele verspreidingsgebied in de vrije natuur niet voorkomt is een aanwijzing dat de soort een bijzondere biologie heeft.  

Concreet stelde Jeroen zich de volgende vragen:

  • Waarom achteruitgang?
  • Waarom een ‘rare’ waardplant?
  • Waarom alleen (nog) op de Veluwe?
  • Waarom gebonden aan specifiek biotoop?
  • Wel of geen tweede generatie in het wild?

 

Ecologisch profiel

 

In Dagvlinders in de Benelux (Bink, 2013) wordt onderbouwd dat kennis over de biologische eigenschappen en ecologische relaties van vlinders noodzakelijk  is om te begrijpen waarom soorten ergens wel of niet voorkomen en hoe het hun in de toekomst zal vergaan. Ook worden er handvatten gegeven om dergelijke informatie op een eenduidige wijze vast te leggen in een ecologisch profiel.  Een ecologisch profiel is opgebouwd uit 4 rubrieken waarin voor iedere willekeurige soort de beschikbare biologische en ecologische gegevens onder te brengen zijn.

 

Ingrediënten voor een ecologisch profiel naar Bink 2013, Tabel 12-1, p 35.

Bink geeft ook aan hoe de benodigde informatie om het profiel te vullen verkregen kan worden.  Kanttekening hierbij is wel dat dit gebaseerd is op dagvlinders en het  vergaren van informatie over de biologie en ecologie van nachtvlinders in het veld vaak lastiger is. Immers dagvlinders kunnen overdag bestudeerd worden waarbij het mogelijk is om te zien hoe de vlinders zich in het landschap gedragen en bijvoorbeeld vastgesteld kan worden waar vrouwtjes hun eitjes afzetten. Bij nachtvlinders is dit (veelal) niet mogelijk en wordt meestal verwezen naar de literatuur als het waardplanten betreft. Groot nadeel hiervan is dat de literatuur gebaseerd is op situaties in het buitenland welke (vaak) afwijken van de Nederlandse situatie. Kweekervaringen zijn daarom, naast veldwaarnemingen, bij het ontrafelen van de biologie en ecologie van nachtvlinders van grote waarde en verschaffen informatie voor  het invullen van een ecologisch profiel.

 

De kweek

 

In 2014 heb ik voor het eerst vrouwtjes van de purperbeer op licht gevangen. Eén exemplaar op 13 juni en een exemplaar op 21 juni, beide verschenen al vroeg in de avond omstreeks 22:30 uur. Het eerste wijfje is meegenomen om eitjes af te zetten. Een tweede ei-legsels is verkregen door met een uitgekweekt wijfje (van in het voorjaar gevonden rups) mannetjes te lokken in het vrije veld. Een compleet ei-legsel bestaat uit circa 250-300 eitjes.  De eitjes worden door de wijfjes in circa 3 dagen tijd afgezet, met in eerste instantie een grote batch van circa 150-200 eitjes gevolgd door twee kleinere legsels. Wanneer struikhei wordt aangeboden worden de eitjes  in kleinere groepjes rond het uiteinde van twijgen afgezet. Op braam- en paardenbloemblad daarentegen worden grote plakkaten afgezet.  Binnen 7-11 dagen kwamen alle eitjes uit.   Er zijn verschillende kweekexperimenten uitgevoerd:

  • Rupsen in een buitenkooi met struikhei en liggend walstro
  • Rupsen in een buitenkooi met een grote (wisselende) verscheidenheid aan kruidachtige waardplanten
  • Rupsen in een binnenkooi met een grote (wisselende) verscheidenheid aan kruidachtige waardplanten

 

Opvallend is dat in alle experimenten de rupsen een duidelijke spreiding in ontwikkeling laten zien. Grofweg kan gesteld worden dat er 3 groepen zijn: rupsen die zich normaal ontwikkelen en als derde stadium rups gaan overwinteren, doorgroeiers die een partiële tweede generatie zullen vormen en twijfelaars. De twijfelaars hangen qua ontwikkelingssnelheid tussen de normale en doorgroeiers in.  Vanaf de tweede week van september tot de eerste week van oktober kwamen de vlinders van de partiële tweede generatie uit.  Opmerkelijk daarbij is dat de vlinders, die als rups kruidachtigen hebben benut als waardplant, een normale grootte hebben terwijl de vlinders van de rupsen die struikhei hebben benut als waardplant duidelijk kleiner (circa 20-30%) zijn in vergelijking met ‘normale’ purperberen.  

 

Wanneer de rupsen een waardplant kunnen kiezen is er sprake van een  duidelijke voorkeur voor kruidachtigen  en wordt struikhei gemeden als waardplant. Als de rupsen de mogelijkheid hebben wisselen ze frequent van waardplant en lijken ze een mix aan verschillende waardplanten te prefereren.  Er is nauwelijks verschil in ontwikkelingssnelheid tussen binnen- en buitenkooi.  Om vast te stellen of er in de vrije natuur ook sprake is van een partiële tweede generatie is er meermaals geprobeerd om mannetjes te lokken met maagdelijke paringsbereide vrouwtjes.  Het is niet gelukt om in het wild een tweede generatie vast te stellen. Wat goed aansluit bij de ervaringen is het feit dat er nog nooit volgroeide rupsen in het wild gevonden zijn in juli/augustus ondanks gericht zoeken en veel veldactiviteit.

 

Bij verstoring laten de rupsen zich snel vallen. Een deel blijft vervolgens eerst een tijd opgerold liggen alvorens zich te bewegen, terwijl een ander deel juist direct snel weg rent. De vlinders tonen bij verstoring de fel gekleurde achtervleugels en kunnen, zoals veel beren als afweer, een schuimachtige substantie produceren uit klieren aan de dorsale zijde van de prothorax.

 

Er is ook geprobeerd om in gevangenschap een nakweek te verkrijgen.  Het blijkt dat vlinders van dezelfde ouders moeilijk met elkaar tot paring komen. Wanneer broer en zus in een kooi geplaatst worden en het vrouwtje duidelijk feromonen uitstoot wordt er pas na enkele dagen (4-5) gepaard, terwijl mannetjes en vrouwtjes van verschillende ouders binnen een dag tot paring komen.

 

Conclusies

 

Hoewel de kweekexperimenten nog niet afgelopen zijn, het is nog erg belangrijk en interessant om  vast te stellen in welke stadia purperbeerrupsen kunnen overwinteren, kunnen er al wel conclusies getrokken worden.  Zo blijkt uit de experimenten en de jarenlange veldervaring met de soort dat óók in Nederland de purperbeer een strikt univoltiene soort is, ondanks de genetische aanleg van spreiding in ontwikkeling van de rupsen.  De genetische drang tot spreiding in ontwikkelingssnelheid wordt onderdrukt door de temperatuur. Hierbij zijn de verschillen tussen dag- en nachttemperatuur van belang.  In landen als Frankrijk zijn de klimaatcondities al voldoende om die genetische drang te onderdrukken en kan de purperbeer meerdere biotopen en dus ook waardplanten benutten.  

 

Het Nederlandse klimaat is ongunstig voor de purperbeer. Het klimaat op de heideterreinen op de Veluwe lijkt nog het meest op de landklimaatcondities die de purperbeer nodig heeft. De combinatie van het microklimaat en de specifieke waardplant struikhei zorgen voor onderdrukking van de spreiding in groeisnelheid van de rupsen. Dit blijkt uit het feit dat ook als uitsluitend struikhei als waardplant gebruikt wordt bij een kweekexperiment er toch een partiële tweede generatie optreedt. Bij de kweekexperimenten was het verschil tussen dag- en nachttemperatuur veel minder groot dan op de plekken waar de soort voorkomt. Dat  struikhei een remmende werking op de ontwikkeling heeft blijkt uit het feit dat de vlinders van de tweede generatie duidelijk kleiner zijn in vergelijking met normale purperberen.  Terwijl purperberen van een tweede generatie, die met kruidachtigen zijn opgekweekt, wel een normale grootte hebben. 

 

De unieke combinatie van genoemde klimatologische omstandigheden en waardplant wordt in Nederland (uitsluitend nog) op de Veluwe aangetroffen. Dit is de verklaring waarom de purperbeer in Nederland uitsluitend op structuurrijke heiden voorkomt op de Veluwe.

 

Hieronder ziet u de bijbehorende foto's:

Bijbehorende foto's

Figuur a: Vrouwtje Coscinia striata met weinig getekende vleugels

Figuur b: vrouwtje Coscinia striata met normaal getekende vleugels

Figuur 1: vrouwtje Rhyparia purpurata met geheel zwarte achtervleugels, gevangen op licht op 13 juni op de zuidelijke Veluwe

Figuur 2: vrouwtje Rhyparia purpurata met normale achtervleugels uitgekweekt , rups 13 april gevonden op de zuidelijke Veluwe

Figuur 3: Purperberen kunnen bij verstoring een schuimachtige substantie produceren uit klieren aan de dorsale zijde van de prothorax.

Figuur 4: eitjes van Rhyparia purpurata op struikhei

Figuur 5: biotoop in NL waar Rhyparia purpurata voorkomt.

Figuur 6: rups Rhyparia purpurata

Figuur 7: mannetje Rhyparia purpurata, gelokt met uitgekweekt vrouwtje

Deze mededeling bevat de volgende kenmerken in de database:

Besproken soorten

Rhyparia purpurata (Purperbeer), Coscinia cribraria (Grasbeertje), Coscinia striata (Geel grasbeertje), Lasiocampa quercus (Hageheld),

Besproken lokaties

Veluwe,

Trefwoorden

Ecologie, Kweekervaringen, Ecologisch profiel (Bink, 2013), Abberatie,

 

Zoek Soort

Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam


Aan- of Afmelden